Terug..


SOORTENBESCHERMING BIJ RUIMTELIJKE INGREPEN

Over de Flora-en faunawet in Nederland

Op 1 april 2002 is de Flora-en faunawet in werking getreden. Deze wet richt zich op de bescherming van in het wild levende planten en dieren. Deze informatie gaat in op de gevolgen van de wet voor het plegen van ruimtelijke ingrepen en maakt deel uit van een allerlei informatie over de Flora-en faunawet. Met de komst van de Flora-en faunawet worden meer inheemse en uitheemse planten en dieren beschermd en is het beschermingsregime strenger geworden. Nieuw in de wet is dat dieren mede beschermd worden omdat hun bestaan op zichzelf waardevol is, zonder te kijken welk nut de dieren voor de mens kunnen hebben. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren. Daarnaast is het niet toegestaan om nesten, holen of andere voortplantingsplaatsen of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Nee,tenzij

De Flora-en faunawet gaat uit van het "nee, tenzij "-beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering. In de praktijk betekent dit dat bepaalde handelingen ten aanzien van dieren en planten slechts onder strikte voorwaarden mogelijk zijn. De Flora-en faunawet heeft dan ook de nodige consequenties en gevolgen voor ruimtelijke ingrepen.

De verbodsbepalingen

De Flora-en faunawet maakt onderscheid in:

Deze informatie gaat over de eerst genoemde verbodsbepalingen in relatie tot ruimtelijke projecten, plannen en ingrepen.

Bepalingen betreffende planten op de groeiplaats (art.8)

Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse soort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

Bepalingen betreffende dieren in hun natuurlijke leefomgeving (art.9 t/m 12)

Genoemde bepalingen zijn niet nieuw. Vergelijkbare bepalingen waren ook reeds opgenomen in de Natuurbeschermingswet en de Vogelwet 1936.
De bepalingen betreffende planten op de groeiplaats en dieren in hun natuurlijke leefomgeving zijn niet alleen van belang voor bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen, zoals infrastructurele werken, bebouwing en herinrichting, maar ook voor bijvoorbeeld werkzaamheden in het kader van onderhoud en beheer, inclusief beheerwerkzaamheden in natuurgebieden, bosbouw en dergelijke.

Vooraf toetsen

Wanneer een projectontwikkelaar of bijvoorbeeld een gemeente plannen ontwikkelt voor ruimtelijke ingrepen of voornemens is werkzaamheden uit te voeren, is het verstandig om vooraf goed te beoordelen of er mogelijke nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten zijn. In beginsel is de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk. Hij moet tijdens de uitwerking van zijn plannen of tijdens het plannen van werkzaamheden het volgende in kaart brengen:

Mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen

Bij het beoordelen van aanvragen voor ontheffing ex artikel 75 wordt onderscheid gemaakt in de volgende vier categorieŽn van soorten:

1. Soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en ingevolge artikel 75,vijfde lid, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bedreigde soorten. Ontheffing kan worden verleend, indien:


2. Soorten die niet zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en die niet ingevolge artikel 75,vijfde lid, bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, met uitzondering van beschermde inheemse vogels. Ontheffing kan worden verleend, indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

3. Beschermde inheemse vogels. De hier bedoelde dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen geen grond zijn voor het verlenen van een ontheffing. De Europese Vogelrichtlijn staat dat niet toe.

4. Voor meer algemene soorten zal een vrijstelling gelden. Dergelijke soorten mogen dan worden verstoord, verjaagd of verplaatst van plekken waar ruimtelijk wordt ingegrepen. Daarvoor is dan geen ontheffing vereist.

De drie toetsingscriteria voor de strengst beschermde soorten (categorie 1)

1. Geen andere bevredigende oplossing.
De toetsing van dit criterium houdt in dat er een onderzoek naar alternatieven of alternatieve locaties moet zijn gedaan of alsnog moet worden uitgevoerd. Met "geen andere bevredigende oplossing "wordt niet alleen bedoeld dat er geen alternatieve locaties beschikbaar zijn. Ook alternatieve oplossingen voor het probleem dat aan plannen ten grondslag ligt moeten worden onderzocht. In het geval van bijvoorbeeld de aanleg van een industrieterrein moet ook worden onderzocht of er geen alternatieven zijn voor verbetering van de werkgelegenheid. In het geval van bijvoorbeeld de bouw van een nieuwe woonwijk moet ook worden onderzocht of niet op andere wijze in de woningbehoefte kan worden voorzien. Als er een reŽel alternatief voorhanden is waarbij het belang van de betreffende soort(en)niet in het geding is, moet voor dat reŽle alternatief worden gekozen. Dan is toetsing aan de beide andere criteria niet langer nodig. Omgekeerd is het zo dat, als er geen reŽel alternatief is, daaruit niet kan worden geconcludeerd dat er dan noodzakelijkerwijze sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. De vraag of hiervan sprake is dient los van de beide andere criteria te worden beantwoord.

2. Dwingende redenen van groot openbaar belang
De toetsing van dit criterium houdt onder meer in dat sprake moet zijn van een algemeen belang en dus niet van een particulier belang of het belang van enkelingen. Dwingende redenen van groot openbaar belang kunnen bijvoorbeeld zijn:

Deze opsomming is niet limitatief. Er zijn ook andere gevallen denkbaar waarbij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang.
Een financieel goedkopere oplossing, als ook andere oplossingen reŽel zijn, wordt niet aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Verder is van belang dat dit criterium op zich wordt getoetst, los van de beide andere criteria. Als de vraag of sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang ontkennend moet worden beantwoord, zijn beide andere criteria niet meer relevant en wordt de ontheffingsaanvraag afgewezen.

3. Gunstige staat van instandhouding /compensatie
Als er geen reŽle alternatieven zijn en sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en daarom wordt overwogen om ontheffing te verlenen, zullen compenserende maatregelen worden voorgeschreven, als mitigerende (verzachtende) maatregelen niet afdoende blijken. Is compensatie noodzakelijk maar niet mogelijk dan wordt afbreuk gedaan aan het streven de betreffende soorten in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De ontheffingsaanvraag zal dan worden afgewezen. Steeds zal als voorwaarde worden gesteld dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat beschermde dieren en planten als gevolg van ingrepen doodgaan. In voorkomende gevallen dienen deskundigen de dieren weg te vangen en elders weer uit te zetten in een voor die dieren geschikt biotoop, bijvoorbeeld in een nieuw ingericht compensatiegebied. Ook planten kunnen in sommige gevallen moeten worden verplaatst.
Compensatie en verplaatsing worden altijd beschouwd als uiterste redmiddelen, die pas toegepast worden als alle mogelijkheden om schade te voorkomen zijn benut.

De plaats van de Flora-en faunawet in het planvormingsproces

Reeds bij de aanvang van de discussie over een plan of project van groot openbaar belang moet worden geÔnventariseerd wat de mogelijke gevolgen voor beschermde inheemse soorten zijn. In die fase moet worden onderzocht of er alternatieven zijn, wat de consequenties van die alternatieven zijn en wat de mogelijkheden van afdoende mitigerende en compenserende maatregelen zijn.
Bovendien moet die informatie in het geval van plannen of projecten met een lange voorbereidingstijd regelmatig worden geactualiseerd.
Plannen en projecten die reeds de gehele procedure van de ruimtelijke ordening hebben doorlopen zonder rekening te houden met beschermde planten en dieren komen vaak niet voor het verkrijgen van ontheffing in aanmerking of lopen grote vertraging op. Dergelijke plannen zullen in veel gevallen alsnog ingrijpend moeten worden aangepast. Vaak moet alsnog een onderzoek naar alternatieven worden uitgevoerd en een plan van aanpak voor mitigerende en compenserende maatregelen worden opgesteld, alvorens men voor ontheffing in aanmerking kan komen.

Aanvragen van een ontheffing

Ontheffing moet worden aangevraagd bij LASER Dordrecht. Bij de aanvraag moet alle relevante informatie worden aangeleverd die nodig is om beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken.
De behandeling verloopt volgens de procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen de beschikking van de Minister van LNV kan binnen een termijn van 6 weken bezwaar worden aangetekend. Op een beslissing op bezwaar kan vervolgens beroep worden aangetekend bij de bestuursrechter.

De lijst van beschermde soorten

In een pdf-bestand ( lijst-beschermdesoorten.pdf ) wordt een overzicht gegeven van alle inheemse planten- en diersoorten die als beschermd zijn aangewezen op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 4, eerste, tweede en derde lid, van de Flora- en faunawet. Veel van deze soorten zijn in de Bonnen aanwezig.

Planten

De plantensoorten zijn gerangschikt per familie. De familienamen zijn in kleine kapitalen in alfabetische volgorde vermeld. De beschermde inheemse plantensoorten zijn per familie in alfabetische volgorde op wetenschappelijke naam van de soort vermeld. De wetenschappelijke soortnamen zijn cursief gedrukt. In voorkomende gevallen worden, indien de wetenschappelijke benaming van de soort aanleiding zou kunnen geven tot misverstanden, die misverstanden door middel van voetnoten weggenomen.

Gewervelde dieren

De tot de gewervelden behorende diersoorten zijn gerangschikt per klasse (zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieŽn en vissen). Vervolgens is elk van deze klassen onderverdeeld in orden en elke orde is weer onderverdeeld in families. De benamingen van de klassen zijn in kapitalen en vet gedrukt. De benamingen van de orden zijn in kapitalen gedrukt. De benamingen van de families zijn in kleine kapitalen gedrukt. De beschermde inheemse diersoorten zijn per familie in alfabetische volgorde op wetenschappelijke naam van de soort vermeld. De wetenschappelijke soortnamen zijn cursief gedrukt. In voorkomende gevallen worden, indien de wetenschappelijke benaming van de soort aanleiding zou kunnen geven tot misverstanden, die misverstanden door middel van voetnoten weggenomen.
Met betrekking tot de wetenschappelijke soortnamen van vogels kunnen zich geen misverstanden voordoen, omdat in de navolgende lijst daarvoor Distribution and Taxonomy of Birds of the World (C.G. Sibley & B.L. Monroe Jr., 1990, Yale University Press) en A Supplement to Distribution and Taxonomy of Birds of the World (C.G. Sibley & B.L. Monroe Jr., 1993, Yale University Press) als referentie is gehanteerd. Desondanks worden door middel van voetnoten een groot aantal synoniemen gegeven. Informatie over vogeltelingen is ook beschikbaar op de site van Jacco Duindam en Ton & Kees van Schie. Kijk eens op http://home.kabelfoon/~duindam/

Ongewervelde dieren

De tot de ongewervelden behorende diersoorten zijn gerangschikt per klasse (insekten, kreeften en weekdieren). Vervolgens is elk van deze klassen onderverdeeld in orden. De benamingen van de klassen zijn in kapitalen en vet gedrukt. De benamingen van de orden zijn in kapitalen gedrukt. De beschermde inheemse diersoorten zijn per orde in alfabetische volgorde op wetenschappelijke naam van de soort vermeld. De wetenschappelijke soortnamen zijn cursief gedrukt.

Consequenties voor de Bonnen

De biodiversiteit is reeds zeer groot. Doortoepassing van akkerrandenbeheer en het inpassen van enige landschapselementen kan deze nog verder vergroot worden. Daarmee is het plafond wel bereikt. Het aantal soorten zal niet verder toenemen en ieder soort heeft een bepaald areaal nodig om te kunnen overleven. Inkrimping van het areaal zal dan uiteindelijk weer leiden tot beperking van het aantal. Er ligt in een gebied dan ook een natuurlijk optimum dat recht doet aan de cultuurhistorische vorming, het agrarisch gebruik en de invulling van de omliggende gebieden. De Bonnen vormt een ecologische schakel tussen Kapittelduinen en Midden-Delfland. De open polder kent een belangrijke samenhang met het Staalduinse Bos en is een groene enclave tussen het glastuinbouwgebied en nabij het aangrenzende haven- en industriegebied. Als gebiedscompensatie is de Bonnen ongeschikt omdat de soortenrijkdom al zeer groot is. Een dergelijke maatregel heeft dan ook geen enkele toegevoegde waarde. Door de Flora- en faunawet heeft de Bonnen op zichzelf al een beschermde status gekregen en zal het ook beperkingen opleggen aan activiteiten in de directe omgeving. Op http://www.natuurloket.nl/ is een inventarisatie te vinden.


Terug..